Vraagje: voor wie leef jíj eigenlijk?

Voor wie leef en werk je Van Akker Vindt 2016

In mijn vorige blog schreef ik over een onderzoek dat onder andere uitwees dat vooral mensen die meer werken dan ze zelf het liefst willen, daar negatieve psychische effecten van ondervinden. Op dat blog kwam een reactie van een voormalige collega, die zei dat politici mensen best mogen oproepen om meer te werken en dat mensen die in deeltijd werken soms ook meer willen werken om hun inkomen op peil te brengen. Laat ik helder zijn: politici mogen roepen wat ze willen. Ook zij leven in een (relatief) vrij land. En natuurlijk snap ik dat er mensen zijn die meer willen werken om voldoende inkomen te genereren. Ik heb nergens gepropageerd dat iedereen in deeltijd zou moeten werken, maar wél dat mensen hun eigen keuzes moeten maken en tenslotte constateerde ik dat Nederland als kampioen deeltijdwerken door de bank genomen behoorlijk gelukkig is.

Aanzwengelen vaderlandse economie als individueel levensdoel?

Aanzwengelen vaderlandse economie als levensdoel Van Akker Vindt 2016Vooral het laatste zinnetje in de reactie dat meer werken goed is voor de economie is bij me blijven hangen. De vraag is natuurlijk waartoe wij op aard zijn en of het aanzwengelen van de vaderlandse economie voor mij en anderen in dit land op individueel niveau de reden voor ons bestaan op deze aardkloot is. Ik maak mezelf in ieder geval graag en met overtuiging wijs dat het laatste niet zo kan zijn. Als je ook met minder dan een voltijds baan in je levensonderhoud kan voorzien en vrije tijd en vrijheid belangrijker vindt dan geld op de bank, lijkt mij dat een keuze die je vrijelijk en weloverwogen moet kunnen maken. Dat kan ik zelf vinden op basis van mijn persoonlijke waarden en dat kan ik vinden op basis van het aangehaalde onderzoek. Maar misschien is er nog wel iets wat de moeite waard is om hier aan te halen.

Op hun sterfbed wensen mensen dat ze dingen anders hadden gedaan Van Akker Vindt 2016

Op hun sterfbed wensen mensen dat ze dingen anders hadden gedaan

Een paar jaar geleden ging een bericht van een de palliatief verpleegkundige Bronnie Ware viral. Daarin schreef Bronnie over een aantal zaken waarvan mensen op hun sterfbed aangaven spijt te hebben. Op nummer twee stond dat vrijwel alle mannen (het ging om een generatie waarin zij vrijwel altijd de kostwinners waren) achteraf wensten dat ze minder hadden gewerkt en meer tijd aan de mensen om zich heen hadden besteed. Voor deze mensen is het ergens natuurlijk ontzettend tragisch dat zij te laat tot dit inzicht zijn gekomen om er nog iets aan te kunnen doen. Misschien zijn wij die hiervan kennis nemen het wel aan hun en zeker ook aan onszelf schuldig om daarvan te leren en bewuster om te gaan met de tijd die we hebben op deze aardkloot en deel ik de top vijf van dingen waar mensen spijt van hadden op hun sterfbed nog maar eens.Ter lering en ter aanpassing zullen we maar zeggen, want vermakelijk is het niet wat mij betreft. Daarom hier nog eens de top vijf van dingen waarvan mensen op hun sterfbed aangaven dat ze die graag anders hadden gedaan:

  1. Ik zou willen dat ik de moed had gehad om mijn leven naar mijn eigen inzicht te leiden in plaats van het leven te leiden dat door anderen werd verwacht

Aanzwengelen economie als individueel levensdoel Van Akker Vindt 2016Dit was het meest algemene en meest voorkomende punt van spijt. Wanneer mensen beseffen dat hun leven ten einde loopt, krijgen mensen een duidelijk beeld van al die dromen die niet in vervulling zijn gegaan. De meeste mensen hadden nog niet eens de helft van hun dromen vervuld en beseften op hun sterfbed dat dit samenhing met de keuzes die ze hadden gemaakt, of juist hadden nagelaten te maken.

Zo goed en kwaad als het soms gaat, probeer ik mijn dromen en wensen al na te jagen. We hebben immers niet het eeuwige leven en we blijven niet altijd gezond. Dus doe de dingen die je wilt, zolang het nog kan en je gezondheid het nog toelaat. Dat kan zomaar veranderen. En mocht een wild plan mislukken? Nou dan weet je in ieder geval dat je het hebt geprobeerd. Lijkt mij nog altijd aangenamer om dat te constateren, dan op je sterfbed te denken ‘had ik maar…’

  1. Ik zou willen dat ik niet zo hard had gewerktAanzwengelen economie als levensdoel Van Akker Vindt 2016

Zoals gezegd gaven alle mannen dit aan op hun sterfbed. Ze hebben hun kinderen niet zien opgroeien en hebben het gezelschap van hun geliefde gemist. Ook de vrouwen vonden dit jammer, maar de meeste vrouwen van die generatie waren geen kostwinners. De mannen vonden het zonder uitzondering jammer dat ze zoveel tijd en energie hadden gestopt aan hun werk.

Je hebt zelf invloed op hoe je je leven inricht en je kan daarin bewuste keuzes maken. In dit blog heb ik bijvoorbeeld al eens aandacht besteed aan kleiner leven in tiny houses, zodat je minder kosten maakt en dus ook minder hoeft te werken. Met de ruimte die dat maakt in je leven, ben je gelukkiger en vrijer om keuzes te maken gebaseerd op je eigen waarden en voorkeuren.

  1. Ik zou willen dat ik de moed had gehad om mijn gevoelens meer te uiten

Je kunt de wind niet veranderen, maar wel de stand van je zeilen. Van Akker Vindt 2016Veel mensen onderdrukken hun gevoelens en emoties om de lieve vrede te bewaren. Daardoor hadden veel mensen zich neergelegd bij een middelmatig leven waarin ze nooit zijn geworden wie ze hadden kunnen worden. Bij veel mensen ontstonden ziektes die te maken hadden met de verbittering en wrok die ze voelden.

Je kunt de wind niet veranderen, maar wel de stand van je zeilen. Je hebt de reacties van anderen niet in de hand, maar wel die van jezelf. Mensen zullen niet altijd goed kunnen omgaan wanneer je eerlijk zegt wat je vindt, maar in veel gevallen zal uiteindelijk de onderlinge verhouding in positieve zin veranderen. Als de relatie niet in positieve zin verandert, zal de persoon in kwestie waarschijnlijk uit je leven verdwijnen. Hoewel dat pijnlijk kan zijn, ben je ook dan uiteindelijk beter af. Win win dus.

  1. Ik zou willen dat ik contact met mijn vrienden had gehouden

Veel mensen beseffen het belang van hun vriendschappen niet tot het einde van hun leven in zicht komt en op dat moment kan je ze niet altijd meer traceren. Veel van de patiënten van Bronnie Ware waren zo opgeslokt geraakt door hun eigen leven dat ze belangrijke vriendschappen hadden laten verwateren.

Iedereen heeft het druk en het kan heel makkelijk gebeuren dat vriendschappen op de achtergrond raken en verwateren. Geld en status zijn voor mensen op hun sterfbed niet langer belangrijk, ook niet als dat eerder wel zo was (of leek!) Natuurlijk willen mensen op hun sterfbed goed zorgen voor de mensen die achterblijven, maar uiteindelijk draait het toch om liefde en waardevolle relaties met anderen.

  1. Ik zou willen dat ik mezelf had toegestaan gelukkiger te zijnlekker gek doen Van Akker Vindt 2016

Ook deze spijtbetuiging kwam blijkbaar veelvuldig voor. “Veel mensen beseffen niet dat geluk een keuze is”, vindt Ware. “Mensen bleven hangen in oude patronen en gewoonten. Angst om ingesleten gewoonten te doorbreken, maakte dat ze zichzelf en anderen voorhielden dat ze tevreden waren, terwijl ze eigenlijk graag eens heel hard wilden lachen of eens lekker gek hadden willen doen.”

Ik heb het gelukkig zelf nog niet verleerd om lekker domme dingen te doen, thuis of in de openbare ruimte. Als je timing goed is, kan je zomaar meemaken dat ik een dansje doe in een winkel. Dat komt niet vaak voor, maar als het moment zich aandient, laat ik me niet weerhouden door de meningen van anderen. Veel mensen zijn bezig met wat anderen wel niet van je zullen denken, maar wanneer je terugkijkt op je leven dat bijna ten einde is, is dat helemaal niet meer van belang. (En nu dus ook niet!)

Ik kan het alleen maar eens zijn met de conclusie van Ware:

Life is a choice Van Akker Vindt 2016‘Life is a choice It is YOUR life.
Choose consciously, choose wisely, choose honestly.
Choose happiness’

Life is a choice Van Akker Vindt 2016

Oftewel: je hebt keuzes, het is JOUW leven. Maak bewuste keuzes, maak wijze keuzes, maak eerlijke keuzes. Kies voor geluk. Ik zou nog willen toevoegen: kies voor je eigen geluk. Je leeft maar een keer, dus maak er wat van!

Kies voor jouw geluk. Je leeft maar een keer, dus maak er wat van! Van Akker Vindt 2016

Advertenties

Deeltijdparticipatiemaatschappij in Nederland is zo gek nog niet!

Misschien is een deeltijdparticipatiemaatschappij zo gek nog niet! Van Akker Vindt 2016

Er zijn mensen die zich nog al druk maken over het feit dat Nederland ‘Kampioen Deeltijdwerken’ is. Dat in Nederland veel mensen in deeltijdbanen werken zal ik niet weerleggen. Een korte graafactie in de bakken van het CBS laat zien dat in 2015 iets minder dan de helft (49 procent) parttime werkte, dus minder dan 36-40 uur. Zo’n 20 procent werkte minder dan 20 uur per week en de andere 29 procent werkte 20 tot 35 uur per week. En het zijn vooral vrouwen die in Nederland in deeltijd werken. Misschien niet zo gek, want volgens een recente publicatie van het CPB voelen vrouwen zich in het algemeen drukker dan mannen en is hun vrije tijd door de bank genomen gefragmenteerder.

Is het erg wanneer we niet allemaal fulltime werken?

Argumenten tegen al dat deeltijd werken gaan over het economische verlies dat we als natie zouden lijden, dat er talent ‘verloren zou gaan’, dat men minder carrière kan maken, dat te weinig vrouwen economisch zelfstandig zijn en dat we meer moeten werken om de pensioenpotten een beetje gevuld te houden. Of ik me wel of niet kan vinden in deze argumentatie en waarom wel of niet, is misschien een leuk onderwerp voor een toekomstig blog. Voor dit moment wil ik me even toeleggen op de vraag of het nou zo erg is dat we (lang) niet allemaal fulltime werken. In de media lezen we nog weleens over mensen in precaire flexibele banen die te weinig uren hebben en niet rond kunnen komen, of over groepen zzp’ers waar hetzelfde voor geldt. Maar andersom zijn er ook mensen die meer uren werken dan ze het liefst willen. Daar horen we volgens mij iets minder over, maar dat is misschien nog wel onwenselijker dan te weinig werken.

Onderzoek naar effecten van verschil tussen gewenste en werkelijk gewerkte uren

Vorige maand publiceerden een aantal onderzoekers uit Duitsland en Australië namelijk de resultaten van hun onderzoek naar de effecten van meer of minder werken dan je eigenlijk wilt. De onderzoekers gebruikten hiervoor grote Duitse en Australische databestanden, gebaseerd op vragenlijsten van verschillende jaren door de tijd heen. Vooral meer uren werken dan gewenst negatief voor psychisch welbevinden Van Akker Vindt 2016In de vragenlijsten waren vragen opgenomen over het gemiddelde aantal feitelijke uren dat men werkte en het aantal uren dat men eigenlijk zou willen werken en met vragen over de zelf gerapporteerde psychische gesteldheid van degenen die de vragenlijsten invulden. Wanneer deze respondenten gemiddeld minimaal vier uren per week meer of minder werkten dan ze zouden willen, telden ze mee als mensen met een mismatch in gemiddelde arbeidsduur.

Vooral meer uren werken dan gewenst negatief voor psychisch welbevinden

Uit het onderzoek blijkt dat vooral mensen die gemiddeld meer werken dan ze willen hier last van ondervinden, ze zijn gemiddeld minder tevreden over hun baan dan mensen die ongeveer evenveel werken als ze wensen. De onderzoekers keken ook of de arbeidsduur hierbij het verschil maakte en controleerden bijvoorbeeld fulltime werkenden die liever minder zouden werken met een groep van mensen die fulltime werkten, maar dat ook wilden. Ook na deze controle bleek dat vooral het verschil tussen feitelijke en gewenste uren het verschil maakte in het psychisch welbevinden van de respondenten. Bij vrouwen was dit negatieve effect van ‘teveel’ werken nog wat sterker dan voor de mannen. Overigens wordt in de publicatie niet uitgebreid gespecificeerd waaruit de negatieve effecten van het psychische welbevinden precies bestond en hoeveel impact dit op het dagelijks functioneren van de respondenten had.

Sociale normen van invloed op psychische effecten minder werken dan gewenst

Bij het minder werken dan gewenst, was het negatieve effect voor de Duitse groep vrijwel nihil en iets sterker voor de Australiërs. Betere match gewenste en feitelijke uren goed voor werkgever en werknemer Van Akker Vindt 2016Dit zou volgens de onderzoekers heel goed kunnen komen door normen in de samenleving en instituties zoals regelingen voor sociale zekerheid, waardoor Australiërs meer last hadden van minder uren werken dan gewenst. Ik stel me voor dat Nederland in dat opzicht meer lijkt op onze oosterburen dan op onze tegenvoeters, gewoon omdat we in politiek en economisch opzicht best veel op elkaar lijken.

Als kampioen deeltijd zijn we best gelukkig met zijn allen

Zoals gezegd wordt uit de publicatie van Otterbach en zijn Australische collega’s niet veel duidelijk over de precieze psychische uitwerking van het teveel werken. Toch zou ik zo op het eerste gezicht denken dat onze politici misschien iets minder moeten hameren dat al die deeltijders het liefst meer moeten werken dan ze nu doen. Mensen worden er blijkbaar gewoon wat ongelukkiger van wanneer ze meer werken dan bij ze past. Geluk is ogenschijnlijk geen variabele die van belang is voor Den Haag, maar voor al die –op dit moment ruim 17 miljoen!- individuen in Nederland zelf natuurlijk wél. Overigens geven Nederlanders volgens het World Happiness Report uit 2015 hun leven een 7,4 en staan daarin in de top tien van gelukkigste naties ter wereld. Goede kans dat al dat deeltijdwerken hierbij een belangrijke positieve invloed is.

Betere match gewenste en feitelijke uren goed voor werkgever en werknemer

Misschien kunnen de dames en heren werkgevers, HRM’ers en recruiters ook wel iets met deze informatie. Als die ideale kandidaat nou iets minder wil werken dan je in gedachten had, is het misschien best de moeite om te kijken of je daar mee akkoord kan gaan. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor een zittende werknemer. Een arbeidsduur die beter aansluit op de wensen van de (toekomstige) werknemer, leidt namelijk tot meer psychisch welbevinden en een grotere arbeidstevredenheid. Ik zou zelf denken dat dat de moeite waard is voor beide partijen. En die politici die willen dat we meer werken? Laat ze maar kletsen zou ik zeggen. Maken wij intussen individueel en in overleg met onze werkgevers onze eigen keuzes, werkt de helft van ons in deeltijd en geven we ons leven gemiddeld een dikke zeven. Niks mis mee.

 

 

Als kampioen deeltijd zijn we best gelukkig met zijn allen Van Akker Vindt 2016

 

De Mechanische Turk als virtuele on demand gastarbeider

The Mechanical Turk als dystopische uitkomst van marktwerkingsevangelie Van Akker Vindt 2016

Enige tijd geleden hoorde ik er voor het eerst van. De Mechanische Turk. Ik vind het zelf niet direct gezellig klinken en eerlijk is eerlijk: dat is het (volgens mij) ook niet. Mechanical Turk is een platform van Amazon waarop mensen werk kunnen aanbieden dat nog niet door robots, of preciezer: door slimme software kan worden gedaan. Je moet bijvoorbeeld plaatjes coderen, of aangeven hoe een woord in een zin wordt gebruikt en daar krijg je dan per woord een habbekrats voor. Het mag duidelijk zijn: ik ben niet onder de indruk. Om te beginnen vind ik de naam al een beetje raar.

Rotklusjes opknappen die de computer nu nog laat liggen

Bij de naam Mechanical Turk en het feit dat je als Mechanische Turk klusjes mag opknappen voor weinig geld die computers (nu nog) laten liggen, kan ik niet anders dan denken aan de Turkse (en andere) gastarbeiders die ongeveer een halve eeuw geleden naar Nederland kwamen. Ook die mochten voor een habbekrats klusjes opknappen die de Nederlanders lieten liggen. Na even zoeken op het wereldwijde web blijkt het platform vernoemd te zijn naar een raar mechanisch schaakapparaat, waar een Turk uitsteekt, die er –compleet met tulband- een beetje uitziet als de ouderwetse gapers die je nog bij sommige drogisterijen ziet. Op filmpjes op YouTube kan je zien hoe een replica van “The Turk” een menselijke schaker verslaat terwijl hij vervaarlijk met de ogen rolt. (Best entertaining, moet ik toegeven!) Blijkbaar heeft het in die zin niet met gastarbeiders te maken, maar tóch loop ik er niet warm voor.

Amazon’s Mechanical Turk is een platform voor lousy en precair werk

Het werk op Mechanical Turk bestaat uit, zoals ze in het Engels zeggen ‘lousy jobs’ dus werk dat precair is en feitelijk wereldwijd wordt aanbesteed op een online platform waarbij je per minitaakje een paar cent betaald krijgt. Hoewel Amazon deze lullige miniklusjes een ‘HIT’ noemt, houd ik ze liever buiten mijn hitparade. HIT is een afkorting die staat voor “Human Intelligence Task”, die weliswaar menselijke intelligentie vergt, maar verder weinig diepgang heeft. Artificial artifical intelligence noemt Amazon dat zelf, dus kunstmatige kunstmatige intelligentie, die je aldus Amazon on demand naar believen kan op- of afschalen. Getver. Natuurlijk wordt het werk op zo’n manier uitbesteed dat degene die het werk doet opdrachtnemer is en wordt op die manier allerhande wetgeving handig omzeild. Een opdrachtnemer is immers geen werknemer en daarmee vogelvrij.

De mens als robot paradox Van Akker Vindt 2016

De mens-als-robot-paradox bij Mechanical Turk

Niet alleen het feit dat het om precair werk gaat geeft mij een viezig smaakje in de mond, maar ook het feit dat mensen door dit systeem eigenlijk worden gereduceerd tot.. Ja tot wat eigenlijk? Ik kan het bijna niet benoemen. Het mag dan gaan om zogenaamde Human Intelligence Tasks, maar paradoxaal genoeg reduceer je de mens tot de meest basale robot waarbij alle menselijke waardigheid het onderspit delft. Het gaat hier niet om schroefjes draaien, maar om het mindless voor weinig geld oplossen van stupide taakjes, die blijkbaar vooralsnog niet goed genoeg of niet goedkoop genoeg door software kunnen worden uitgevoerd. Als dit vooruitgang is, loop ik er in dit geval even niet zo heel erg warm voor. We mogen dan in het rijke Westen -ook ik!- praten over zinvol werk, autonomie, jobcrafting enzovoort, maar ondertussen zitten er blijkbaar mensen her en der op deze aardkloot voor weinig geld ergens deze kleine rotklusjes te doen.

The Mechanical Turk als dystopische uitkomst van marktwerkingsevangelie

Marktwerking is het evangelie dat in neo-liberale bijbel wordt verkondigd. De onzichtbare hand Smith werkt in een overbevolkte, ongelijke en geglobaliseerde wereld even niet zo lekker meer. Dat willen we –ook in Nederland- liever nog even niet zien. Met alle gevolgen van dien. The race to the bottom is niet alleen een denkbeeldige dystopie, maar die bestaat al in de vorm van Amazon’s Mechanical Turk. Daarmee vergeleken is die eng om zich heen kijkende mechanische schaakturk uit dat YouTubefilmpje hieronder eigenlijk nog enorm gezellig!

Robotisering: resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst

Robitisering Van Akker Vindt 2015

Ruim twee jaar geleden kwam ik een stuk tegen over banen die zouden verdwijnen door robotisering en automatisering. Tot dan toe had ik wel nagedacht over de toekomst van werk, maar had ik nog nooit op dat niveau of vanuit die invalshoek over het onderwerp nagedacht. Ik schreef er een drietal blogs over, nog lang voor de media doorlopend bol stonden van dit onderwerp. Het ging over robots die ons werk zouden overnemen, welke banen zouden verdwijnen tot 2025 en over of het basisinkomen een oplossing zou zijn om voor iedereen voldoende levensstandaard te garanderen. Ik sta, ook nu ik nog heel veel meer over dit onderwerp en aanpalende onderwerpen heb gelezen, nog steeds achter wat ik twee jaar terug schreef en ik heb een niet aflatende interesse in het onderwerp en alles wat er mee te maken heeft.

Ben ik een techno-pessimist wanneer ik me zorgen maak?

Luddieten Van Akker Vindt 2015 (2)Sommige mensen vinden mij een techno-pessimist wanneer ik zeg dat ik niet denk dat er onder de streep meer banen bij zullen komen en daarover mijn zorgen uitspreek. Velen verwijzen naar de angst die de industriële revolutie teweegbracht, omdat het banen zou vernietigen. Die angst is achteraf onterecht gebleken. De Luddieten, de textielwerkers die in het 19e eeuwse Engeland bang waren dat weefmachines hun arm en werkloos zouden maken en ze daarom met veel geweld vernielden, worden een enkele keer aangehaald. En er zijn vast mensen die mijn zorgen rondom robotisering en werkgelegenheid verwarren met Neo-Luddisme. Villemard Van Akker Vindt 2015

Chriet en zijn obsolete apparaten van de toekomst

Ik snap best dat mensen mijn zorgen bagatelliseren. Wanneer je plaatjes ziet over hoe mensen in het verleden verwachtten dat de toekomst er uit zou zien, zoals bijvoorbeeld de plaatjes van Villemard uit de 19e eeuw van het jaar 2000, kan zien dat de perceptie van de toekomst sterk samenhangt met de tijd waarin men leeft. Ook ik moet lachen wanneer ik filmpjes op YouTube of foto’s zie van Chriet Titulaer en zijn gekke baardje met obsolete apparaten van nog niet zo heel lang geleden die het uiteindelijk toch niet gemaakt hebben. Chriet Van Akker Vindt 2015Verwachtingen van de de toekomst blijken achteraf vaak niet uit te komen en wekken vooral milde hilariteit op van de generaties waarover het gaat. Toekomstvoorspellingen zeggen vooral veel over de tijd waarin ze gemaakt worden, dat gold vroeger en dat geldt in veel opzichten waarschijnlijk nog steeds.

Exponentiële ontwikkeling technologie

Wat deze mensen volgens mij over het hoofd zien is dat de technologie zich extreem snel ontwikkelt, namelijk exponentieel. De Wet van Moore houdt kort door de bocht in dat computers en chips elke twee jaar ook twee keer zo krachtig worden. Ik heb zelf nog gewerkt met van die grote slappe floppy-disks, daarvan zou je volgens de website techrepublic.com bijna 3 duizend stuks (!!) nodig hebben om 1 gigabyte aan geheugen te krijgen. Ik bedoel maar. floppy van akker vindt 2015Die ontwikkeling is echt heel erg snel gegaan. Hoewel de Wet van Moore ooit wel af moet vlakken, is dat op dit moment nog niet het geval en wordt er in the mean time hard gewerkt aan superkrachtige kwamtumcomputers. Ik heb niet de pretentie dat ik ook maar een beetje snap hoe dat werkt, maar wat ik wel weet is dat dit qua kracht beesten van computers zijn.

Niet een tijdperk van verandering, maar verandering van een tijdperk

Dit betekent dat de kans groot is dat de kracht van computers binnen afzienbare tijd buiten ons voorstellingsvermogen zal vallen. Net zoals ik begin jaren ’90 niet had kunnen bevroeden dat in bijvoorbeeld mijn mini-tablet een veelvoud van de rekenkracht zit van de computers waar ik toen op werkte. Juist die enorme snelle ontwikkeling kent zijn weerga niet en betekent dat we gaan van een tijdperk van verandering naar de verandering van een tijdperk. Daar ben ik van overtuigd. De huidige ontwikkeling is niet een soort industriële revolutie 2.0 en is volgens mij is het daarom beter om dit niet te bagatelliseren. In het verleden behaalde resultaten bieden in de robotsamenleving geen garanties voor de toekomst.

Ben ik een techno-optimist omdat ik voordelen zie?

Maar ondanks mijn zorgen en kritische noten over werkgelegenheid, de samenleving, consumptiepatronen en big data en privacy, ben ik niet pessimistisch over robotisering of automatisering. Ik denk ook nu, net als ruim twee jaar geleden, dat de digitale wereld juist ook kansen biedt. Waarom zouden we er sappel om zijn wanneer eentonig en weinig verheffend werk overgenomen wordt door robots? Of wanneer werk beter gedaan wordt doordat we werken met robots en slimme apps? Ik zie kansen voor me om net als Keynes al ooit voorspelde dat iedereen minder gaat werken, mensen minder stress hebben en zinvolle keuzes kunnen maken. Dus doe mij die robots gerust. Volgens mij kunnen die dingen heel veel voor ons betekenen.

Nadenken over kaders voor de robotsamenleving

nadenken over de robotsamenleving Van Akker Vindt 2015Het enige wat ik wél wil is dat we goed nadenken over ethische bijkomstigheden van die robotsamenleving die het Rathenau bepleit. Als robots even slim als of slimmer worden dan mensen, welke rechten hebben zij zelf dan? Maar ook op kortere termijn: hoe borgen wij met zijn allen als samenleving voldoende welzijn voor iedereen die buiten de boot van de robotarbeidsmarkt gaat vallen? Welk sociaal contract staan wij voor? Houden we het bij ons klassieke kapitalistische model waar nu al enkele mega-rijken ontstaan die in een winner takes it all-tijdperk enorm rijk worden, terwijl heel veel mensen op een steeds grotere afstand van de arbeidsmarkt komen te staan en in doorlopende onzekerheid leven? Op dit moment zijn hier nog geen echte antwoorden op en al zeker niet vanuit de overheid, die dit wellicht met behulp van wetten onderhand alsnog eens kan beginnen in te kaderen.

Is het basisinkomen de oplossing voor mijn zorgen?

Ik heb me net als velen de afgelopen jaren enigszins verdiept in het basisinkomen. Uitkomsten van eerdere experimenten die een basisinkomen zijn (India) of erop lijken (Canada) zien er best hoopvol uit. Het zou zomaar kunnen dat het basisinkomen een goede vervanger kan zijn voor ons huidige complexe sociale zekerheidsstelsel en het vergt een hele hoop minder gedoe en geld. Heel stellig durf ik niet te zijn, omdat er op dit moment nog niet op grote schaal voorbeelden bekend zijn van een echt universeel en onvoorwaardelijk basisinkomen en hoe dat heeft uitgepakt.

Ik zet in op een basisinkomen in Zwitserland

Experimenten die nu onder de vlag basisinkomen gebeuren op particulier initiatief in Groningen of er gaan komen in Utrecht in een onderzoek met bijstandsgerechtigden, zijn geen universeel en onvoorwaardelijk basisinkomen en zullen de vragen of een basisinkomen kan werken ook niet afdoende beantwoorden. In 2016 wordt in Zwitserland een referendum gehouden om te peilen of er animo is om daar een echt basisinkomen in te voeren. Ik kijk uit naar 2016, want misschien komt er dan ergens een werkelijk basisinkomen en kunnen we kijken hoe dat werkelijk uitpakt. Pas dan kunnen we echt serieus iets zeggen op basis van empirisch onderzoek!

Bedingungsloses Grundeinkommen Van Akker Vindt 2015

Aandacht voor flexibele schil betaalt zich terug in meer productiviteit

IMG_1376

Wanneer het in de media over de flexibele schil gaat, gaat het vaak over de snelle groei van het aantal zzp’ers en het feit dat ze minder aanspraak op sociale zekerheidsarrangementen kunnen maken. Je zou haast denken dat flexibele schil en zzp synoniem aan elkaar zijn. Dat is niet zo en daar willen we het over hebben. Over hoe die flexibele schil er dan wel uitziet, over hrm- en HRD-beleid, over het belang van flexwerkers voor succes van ondernemingen, over werkzekerheid tegenover baanzekerheid en over waarom deze groep werkenden meer aandacht verdient.

Hoe ziet de flexibele schil er anno nu uit in Nederland?

De flexibele schil omvat volgens recent TNO-onderzoek (ABU 2014) ongeveer een kwart van alle werkenden in Nederland. Wanneer je naar de flexibele schil zelf kijkt, zie je dat de grootste groep – ongeveer de helft – bestaat uit mensen met een tijdelijk contract met uitzicht op vast (cf. ABU 2014, De Beer 2013, Beukema 2013, Heyma en Van der Werff 2013, etc). Verder bestaat de flexibele schil uit de eerdergenoemde zzp’ers en werknemers die werken als oproepkracht. Ten slotte is er nog een groep werknemers die bij organisaties wordt ingehuurd op basis van een uitzend-, detacherings-, of payrollconstructie. Deze groep vertegenwoordigt ongeveer 6 procent van de beroepsbevolking. Kortom: ongeveer 1 op de 20 mensen die werkt, doet dit bij een inlener via een externe organisatie die de formele werkgeversrol op zich neemt, zoals een uitzend- of detacheringsbureau. Flexwerkers worden niet alleen ingehuurd zoals vroeger bij ‘piek en ziek’, maar zijn binnen veel organisaties een vast onderdeel geworden van het personeelsbestand en onderdeel van het succes van een organisatie (Barneveld en Kollen 2013).

De meerwaarde van flexibele medewerkers

Flexwerkers vormen een onmisbaar deel voor de organisaties die ze inhuren en zijn mede verantwoordelijk voor het succes van die organisaties. De mate waarin flexibele medewerkers beschikbaar zijn, de prestaties die ze leveren en de kwaliteit van hun werk zijn meer en meer van belang. Flexwerkers kunnen natuurlijk nog steeds tijdens drukke periodes pieken opvangen, zoals de grote drukte bij de webwinkels aan het einde van het jaar rond Sinterklaas en kerst. Vaak bepalen flexwerkers mede het gezicht van een organisatie. Dat kan gaan om de cateringmedewerker in de bedrijfskantine, maar ook om een callcentermedewerker die je als klant als eerste aan de lijn krijgt. Flexwerkers worden ook steeds vaker ingehuurd om tijdelijk hun specifieke kennis of kunde in te brengen in een organisatie, die dergelijke kennis niet het hele jaar door nodig heeft.

Flexwerkers als antwoord op toenemende dynamiek

Voor organisaties die zich staande moeten houden in een context met steeds meer risico’s en veranderingen, zoals toenemende globalisering, snelle technologische ontwikkelingen en individualisering is het belangrijk om in te kunnen spelen op de dynamiek binnen hun afzetmarkten. Doordat het tempo van allerhande veranderingen hoog is, neemt de dynamiek binnen de eigen organisatie navenant toe (Beukema, 2013) en daarmee de behoefte aan een goed ingerichte flexibele schil naast het vaste personeelsbestand. Bedrijven moeten weten op basis waarvan ze de keuzes maken voor wat betreft de omvang en samenstelling van hun flexibele personeelsbestand. De ideale verhouding tussen vast en flex verschilt per organisatie. De keuze om bepaalde kennis wel of niet zelf structureel in huis te hebben of juist in te huren op specifieke momenten is strategisch van aard en vergt daarom ook een visie op de eigen strategische personeelsplanning.

Visie en investeringen ontbreken nog vaak

Wanneer een groeiend aandeel van het personeel bestaat uit flexwerkers, heeft dit directe gevolgen voor huidige en toekomstige arbeidsrelaties. Toch hebben de meeste organisaties geen heldere visie op het beoordelen en ontwikkelen van flexwerkers (Barneveld en Kollen 2013) en blijkt bovendien uit onderzoek dat de positie van uitzendkrachten op de arbeidsmarkt verslechtert. Overigens is dit ondanks de inzet van sociale partners en de georganiseerde uitzendbureaus, die zich de laatste jaren sterk hebben gemaakt voor duurzaam flexwerk. Hierbij spelen ook de inleners een belangrijke rol als aanbesteder en opdrachtgever van dat werk (Goudswaard en Sanders 2013). Wanneer er op het scherpst van de snede en tegen kleine marges moet worden aanbesteed, betekent dit ook dat er daardoor minder geld beschikbaar is om te investeren in – bijvoorbeeld – de opleiding en ontwikkeling van uitzendkrachten. Juist deze groep heeft investeringen nodig om hun kwalificatieniveau te verbeteren zodat zij employable kunnen zijn en blijven in een onzekere arbeidsmarkt. Investeringen blijven dus achter zowel van de kant van het uitzendwezen, vaak mede door krappe marges, als bij de inlener bij wie het hrm-beleid zich vooral richt op de eigen vaste medewerkers.

Hrm dreigt de boot te missen

Beukema (2013) betoogt dan ook dat ‘hr de boot gaat missen wanneer zij zich tot het traditionele terrein beperkt’. Verder werpt Beukema de vraag op of de differentiatie op de arbeidsmarkt niet ook aandacht vergt van hrm’ers voor de groep werkenden als geheel. Wat ons betreft is de vraag stellen hem ook beantwoorden. Bij goed werkgever- of desgewenst opdrachtgever- of inlenerschap past ook aandacht voor de medewerkers die zich op flexibele basis inzetten voor het succes van je organisatie. Onderinvestering in het menselijk kapitaal, van bijvoorbeeld deze uitzendkrachten, betekent dat zij zich voegen in werk dat minder veeleisend is dan ze feitelijk aankunnen. Dit is niet alleen erg onwenselijk voor het individu, maar ook voor organisaties zelf die het talent dat ze in huis hebben niet optimaal benutten.

Goed werkgeverschap gaat vooraf aan goed werknemerschap

Goed werkgeverschap doe je als werkgever, inlener of opdrachtgever niet alleen voor de ander, maar zeker ook voor jezelf. TNO (Van Sloten, et al. 2006) definieert goed werkgeverschap als ‘het gedrag van werkgevers dat optimaal rekening houdt met de belangen van werknemers vanuit de overtuiging dat dit voordeel heeft voor allen’. Verder noemen Van Sloten en zijn collega’s nog een zevental aspecten waaruit goed werkgeverschap volgens hen bestaat. Zoals bijvoorbeeld het stimuleren van inzetbaarheid van werknemers, aandacht voor de werk-privébalans van werknemers, het bieden van autonomie in het werk en het bieden van uitdagend werk. Volgens de TNO-onderzoekers gaat goed werkgeverschap vooraf aan goed werknemerschap en vertaalt dit zich in minder gezondheidsproblemen, meer productiviteit en een lagere vertrekintentie bij werknemers.

Bevlogen werknemers zetten dat stapje extra

Deze kenmerken lijken overigens erg op de kenmerken van bevlogen medewerkers zoals Schaufeli en Dijkstra die in hun boek (2010) benoemen. Wanneer medewerkers zich op hun plek voelen en kunnen opgaan in het werk, dus ‘bevlogen’ zijn, gaat hun productiviteit omhoog en hun ziekteverzuim naar beneden. Dat is iets om in het achterhoofd te houden met betrekking tot de flexwerkers, als zij meer op hun plek zitten, functioneren ze dus beter en hebben ze meer hart voor de zaak. Oftewel: zij gaan doen aan ‘goed werknemerschap’, wat overigens op zijn beurt ook gelinkt kan worden aan het psychologische contract dat werknemers ervaren (Schalk et al 2007). Mensen die een goed gevoel hebben bij hun psychologisch contract zijn bereid waar nodig een stapje verder te gaan dan hun functie formeel vraagt, wat werkgevers en hun klanten ten goede komt (Robbins en Judge, 2013).

Dief van je eigen portemonnee?

Wanneer goed werkgeverschap vooraf gaat aan goed werknemerschap (of organizational citizenship behavior) en goed werknemerschap leidt tot betere resultaten voor de organisatie, zou je als inlenende organisatie weleens dief van je eigen portemonnee kunnen zijn wanneer je je inhuur vooral kiest op basis van de prijs en de marges die worden berekend. Natuurlijk hoef je als inlener niet een op een je zieke medewerker door te betalen. Maar het kost je wel degelijk geld wanneer medewerkers door gebrek aan investeringen minder productief zijn, of reeds ingewerkte flexwerkers sneller willen vertrekken. Misschien kosten die scherpe inkooptarieven juist wel geld? Het zou zomaar kunnen.

Goed werkgeverschap is een investering die zichzelf terugbetaalt

We kunnen dus op basis van onderzoek vaststellen dat de flexibele schil mede het gezicht en het succes van een organisatie bepaalt. Ook blijkt dat er zowel bij de inlener als de formele werkgever weinig aandacht voor de flexwerker is. Hierdoor blijven er op dit moment onnodig kansen liggen die opgepakt kunnen worden. We hebben immers gezien dat goed werkgeverschap, dus met aandacht voor de medewerker, zijn bevlogenheid, zijn psychologisch contract en zijn duurzame inzetbaarheid, leidt tot meer productiviteit en minder verzuim en minder intentie tot vertrek. Dat zijn toch zaken waarvan je verwacht dat het organisaties aanspreekt en wat maakt dat zij de inrichting van hun flexibele schil zien als integraal onderdeel van hun strategische personeelsbeleid. Los van het financiële aspect zou je dit bovendien nog kunnen aanvullen met de maatschappelijke meerwaarde van goed werkgeverschap en/of goed opdrachtgeverschap.

Een bredere taakopvatting door hrm- en inkoopafdelingen

De hrm- of inkoopafdeling van een organisatie kan de eigen taakopvatting wat ruimer zien en zich niet alleen richten op hrm voor de eigen medewerkers of inkoop tegen een zo scherp mogelijke prijs. Ook voor het strategisch management van de organisatie is het van belang om oog te hebben voor de manier waarop de flexibele schil wordt ingericht en daarbij aandacht te hebben voor de ingehuurde medewerkers. Dit vraagt om een wezenlijk andere benadering binnen de inlenende organisatie dan nu vaak het geval is. Er worden raamcontracten voor inhuur door inkopers gesloten, waarbij niet veel verder wordt gekeken dan de kosten. Dat een gebrek aan investeringen in het menselijk kapitaal van de flexibele medewerkers door inleners en formele werkgevers ook geld kan kosten, door bijvoorbeeld verminderde productiviteit, wordt hierin niet meegenomen.

Deskundig extern beheer van de flexibele schil

Niet elke organisatie heeft zelf de kennis in huis om de flexibele schil goed in te richten, te beheren en de mensen in die flexibele schil goed op te leiden en te begeleiden. Wanneer je zelf de tijd of de deskundigheid als organisatie niet in huis hebt, kan je het beheer van de externe inhuur door een externe deskundige laten beheren. Zo’n full service HR-bureau kan de inhurende organisatie niet alleen ontzorgen door -indien gewenst- flexwerkers over te nemen en daarmee hun contracten te regelen en lonen uit te betalen, maar ook door de HRM-functie voor flexwerkers professioneel en deskundig in te vullen. Door ook te zorgen voor employability en inzetbaarheid kan zo’n extern bureau een bijdrage leveren aan de inzetbaarheid van de individuele flexwerker en maatschappelijk verantwoord bezig zijn. Een medewerker die zich verder ontwikkelt, kan bovendien makkelijker dat extra stapje voor de organisatie zetten (Robbins en Judge, 2013) en zo een bijdrage leveren aan de concurrentiepositie van de inhurende organisatie (cf. Mabey & Salaman 1995).

De vruchten plukken van een goed hrm-beleid voor flexwerkers

Een goed full service hr-bureau kan in overleg met de inlenende organisatie ook in kaart brengen hoeveel van welke kennis waar en wanneer nodig is, zowel voor wat betreft de eventuele dagelijkse planning als de strategische (flexibele) personeelsplanning op de langere termijn (cf. Rowley & Jackson 2011). Waar nodig kunnen reeds zittende flexwerkers worden bijgeschoold of kan tijdig worden geworven om het talent dat nodig is aan te trekken voor de inlenende organisatie die zich daarmee zelf kan richten op het eigen primaire proces. Zo nemen zowel inlener als het full service hr-bureau als de werkgever de verantwoordelijkheid voor een gedegen hrm-beleid. Hiervan plukken zowel de flexwerker als de inlener zelf de vruchten. De medewerker blijft bevlogen en employable en de inhurende organisatie heeft productievere en gezondere medewerkers en kan zich profileren als goed opdrachtgever.

Een win-win-win-situatie voor alle betrokken partijen.

aandacht flexibele schil

Ik schreef dit stuk als strategisch adviseur bij MeursWerkt op verzoek van Caroline Bekkering. Dit stuk werd eerder gepubliceerd op HRzone.nl. Net als Caroline vind ik dat flexwerkers en hun positie op de arbeidsmarkt meer aandacht verdienen. Daarom deel ik het artikel ook hier op mijn eigen blog. 

Bronnen

ABU (2014); Ontmoet de toekomst – Nieuwe perspectieven op een flexibele arbeidsmarkt, Lijnden

Barneveld, J. en B. Kollen (2013); ‘Levenslang binden van de flexibele schil’ in PW De Gids, juli 2013

Beer, P. de (2013); Langetermijnperspectieven voor flexwerkers in ESB, jaargang 98 (4667)

Beukema, L. (2013); Human Resource Maatwerk – Over de noodzaak van ontwikkeling en innovatie; Groningen: Kenniscentrum Arbeid Hanzehogeschool

Goudswaard, A en J. Sanders, ‘Flexibiliteit op de arbeidsmarkt: kans, risico of een beetje van beide?’ (2013) in Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt – De focus op flexibilisering. Delft: TNO / Den Haag: CBS

Heyma, A. en S. van der Werff (2013), ‘Lagere doorstroom van flex naar vast: conjunctuur of trend?’ in Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt – De focus op flexibilisering. Delft: TNO en Den Haag: CBS

Mabey, C. & G. Salaman (1995), Strategic Human Resource Management, Oxford: Blackwell Business

Robbins, S.P. & T.A. Judge (2013); Organizational behavior, Essex: Pearson Education

Rowley, C & K. Jackson (eds.) (2013); Human Resource Management, The Key Concepts, London: Routledge

Schalk, R., J. de Jong, C. Freese (2007); ‘Psychologische contracten in organisaties: theorie en praktijk’ in Tijdschrift voor HRM 1 2007.

Schaufeli, W. en P. Dijkstra (2010), Bevlogen aan het werk, Zaltbommel: Thema

Sloten, G. van, R. Huiskamp, K. Kraan en A. Goudswaard (2006); Goed werkgeverschap en goed werknemerschap: determinanten en effecten. Resultaten van een grootschalig survey onderzoek onder werkgevers en werknemers. Hoofddorp: TNO Kwaliteit van Leven/Arbeid

Werken in meerdere banen: meer werkplezier of meer brood op de plank?

werken in meerdere banen Van Akker Vindt 2014

Aantal werknemers met twee banen neemt toe” kopte het CBS vandaag en dat werd in verschillende media overgenomen. Ik heb de brontekst er bij gepakt en daar viel te lezen dat er vorig jaar 467 duizend mensen waren met twee banen en dat dit betekent dat een kleine 8 procent van alle werknemers het niet bij een enkele baan houdt. Een deel werkt in twee banen als werknemer, onder andere veel in de horeca en de gezondheids- en welzijnszorg. Een ander deel combineert het werken als werknemer met het ZZP-schap. Bij de groep die zowel werknemer is als ondernemer gaat het om mensen die ‘werken in de sectoren informatie en communicatie, specialistische zakelijke dienstverlening en openbaar bestuur en overheidsdiensten.’ Naast nog wat staatjes over de man-/vrouw- en de leeftijdsverdeling, vertelt het CBS nog iets over de werkuren: mensen met één baan werkten in 2013 gemiddeld een krappe 33 uur per week, werknemers die in twee banen werken, werkten ongeveer 32 uur en de werknemers die ook nog als zelfstandig ondernemer in de weer waren werkten gemiddeld bijna 39 uur per week.CBS 2014 werken in meedere banen Van Akker Vindt 2014

Sprokkelbanen of ontwikkelbanen?

De eerste conclusie is dat de kop van het CBS de lading niet dekt en de tweede is dat het CBS er rare definities op nahoudt in hun bericht, ze hebben het namelijk over een ‘tweede baan’ als zelfstandige en dat lijkt mij een tegenstelling in zichzelf. Tenzij ze hinten naar het leger schijnzelfstandigen dat tegenwoordig alom vertegenwoordigd is. Maar dat laatste lijkt me voor een club als het CBS niet waarschijnlijk. Hun werk is beschrijven en niet duiden. En dat laatste is wel jammer, want dit bericht roept bij mij gelijk heel veel vragen op. De belangrijkste is of de groei van het aantal mensen dat op meer plekken hun geld verdient komt door mensen die dat doen om überhaupt rond te komen, of dat dit is omdat mensen plezier en uitdaging vinden in het hebben van twee omgevingen waar ze hun geld verdienen?

Plezier, ontwikkeling en employability

Om met het laatste te beginnen: er zijn mensen die er bewust voor kiezen om hun geld op meer plekken te verdienen. Ik ben zelf zo iemand. Ik ben niet alleen verbonden als docent en afstudeerbegeleider bij de HRM-opleiding van een hogeschool, maar ik adviseer ook het management bij een HRM-organisatie. Deels doe ik in beide rollen vergelijkbare dingen, zoals het delen en toepassen van mijn kennis en analyseer ik dingen. Maar er zijn ook verschillen: in de ene rol ben ik semi-ambtenaar en in de andere werk ik voor een onderneming, die weliswaar een maatschappelijk betrokken hart heeft, maar waar er toch ook gewoon geld moet worden verdiend. Ik kan op beide plekken veel leren en de kennis en ervaring van de ene rol zijn ook nuttig om toe te passen in de andere en vice versa. sprokkelbanen of ontwikkelbanen - werkplezier Van Akker Vindt 2014Ik doe het dus voor mijn plezier: ik kan mezelf zo breder ontwikkelen en in verschillende rollen mijn kennis en vaardigheden toepassen. Voor mij is dit een vrijwillige en bewuste keuze, die bovendien een positieve bijdrage levert aan mijn employability en inzetbaarheid. Dergelijke motieven kunnen andere mensen ook hebben, ongeacht of ze bijklussen als werknemer of als zelfstandige en daarmee een ‘hybride arbeidsrelatie’ hebben, zoals dat wel wordt genoemd. Een andere reden om meerdere banen te combineren of een baan te combineren met het zzp-schap die in de literatuur (Huiskamp, Sanders, Van den Bossche, 2011) is als een soort verzekering tegen onzekerheid, dus bijvoorbeeld bij een tijdelijk contract of in economisch onzekere tijden. In het onderzoek in kwestie is voor deze reden geen bewijs gevonden. Ik heb geen uitvoerige literatuurstudie gedaan en misschien is hier recenter onderzoek over, maar die uitkomsten zouden in recenter onderzoek zomaar anders kunnen zijn omdat de onderzoekers data gebruikten uit 2007, dus voor de wereldwijde economische crisis in volle omvang was losgebarsten.

Meerdere banen om rond te kunnen komen

Waar dezelfde onderzoekers wel bewijs voor vonden was dat heel veel mensen meer werken, in dit geval in meerdere banen of deels als zelfstandige om meer geld te verdienen. In ongeveer 4 op de 5 gevallen ging het dan om mensen die een beetje bijklusten om wat bij te verdienen voor ‘extraatjes’, maar niet uit noodzaak. Maar in 1 op de 5 gevallen was dit wel noodzakelijk om rond te kunnen komen. In dat laatste geval denk ik dat het gaat om mensen met banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, met weinig perspectief, weinig arbeidsuren en weinig zekerheid, het zogenaamde ‘Precariaat’ waar Standing het in zijn boek (2011) over heeft. Werkende armen dus. Voor deze groep is het letterlijk een keuze uit armoede. Ook hier geldt natuurlijk dat het zomaar zou kunnen dat die groep zomaar groter geworden kan zijn, nadat de gegevens in 2007 werden verzameld en de uitkomsten er nu weleens anders kunnen uitzien. De werkloosheidscijfers zijn de afgelopen 5 jaar erg ver opgelopen en schommelen dit jaar (CBS Statline, 2014) tussen de 8 en en 9 procent. Het CBS geeft de cijfers vanaf 1996 en in de tussenliggende periode zijn de werkloosheidscijfers niet zo hoog geweest als nu. Het lijkt me dus niet ondenkbaar dat mijn hypothese dat nu meer mensen uit noodzaak in meerdere banen werken zomaar eens waar kan zijn. Ik heb even geen recentere gegevens paraat en voor mij roepen de vandaag door het CBS gepubliceerde cijfers in die zin meer vragen op dan ze beantwoorden. In die zin vind ik het jammer dat de toelichting vooral bestaat uit beschrijving en niet uit duiding. Hoe het op dit moment echt zit, weet ik helaas niet. Wie het weet mag het zeggen…

werkende armen Van Akker Vindt 2014

Jongeren willen structuur en duidelijkheid in turbulente arbeidsmarkt

Jongeren willen structuur in turbulente arbeidsmarkt Van Akker Vindt 2014

Vorige week promoveerde mijn hogeschoolcollega Stephan Corporaal op zijn onderzoek naar de wensen van de huidige generatie jongeren met een beroepsopleiding. De onderzochte groep jongeren, de ‘Generatie Y’ waar de media het graag over hebben, blijkt opvallend conservatief in hun wensen en wil vooral heel veel duidelijkheid en structuur en zien uitdaging als een baan die past bij hun vooropleiding. Ten opzichte van eerdere generaties hebben ze geen radicale nieuwe wensen. Het enige afwijkende is dat ze toegang willen tot wifi en social media op de werkplek, maar dat heeft meer te maken met de technologie vandaag de dag, dan dat dat een radicale nieuwe wens zou zijn. Ten slotte vind ik het interessant dat blijkbaar de wensen van scholieren en studenten die respectievelijk van het vmbo, mbo of hbo komen onderling nauwelijks uiteenlopen. Tot zover mijn kort door de bocht samenvatting van het proefschrift van Corporaal.

Baanbeginners die goed beslagen het arbeidsmarktijs betreden

Over het feit dat de jongeren uit het onderzoek redelijk behoudend zijn en behoefte hebben aan veel structuur, ben ik niet zo verbaasd: ik geef les aan studenten uit dezelfde generatie als uit het onderzoek. Maar ik maak me, eerlijk is eerlijk, wél een beetje zorgen. De kans is om te beginnen gering dat de dames en heren werkgevers die zo gewenste structuur en duidelijkheid kunnen bieden waar de verse arbeidsmarktbetreders zo naar verlangen. Verder is er zoveel gaande op de arbeidsmarkt, dat het maar de vraag is of de baanbeginners met dit wensenpakket wel goed beslagen het arbeidsmarktijs kunnen betreden. Er zijn namelijk nogal wat dingen gaande die de arbeidsmarkt flink onzeker maken en zeker hun weerslag (zullen) hebben op de manier waarop we gewend zijn te werken.

De arbeidsmarkt en de economie zitten vol met onzekerheden

Hoewel vandaag het bericht (2014) naar buiten werd gebracht door het CBS en de UWV dat er weer minder werklozen zijn en het de goede kant op lijkt te gaan, zijn er ook andere berichten die de ronde doen. Zo groeit de tot nu toe relatief goed boerende Duitse economie minder dan voorspeld en hoor je in de financiële nieuwsberichten het begrip ‘triple dip’ steeds vaker voorbij komen. Naast de economische conjunctuur, zijn er nog tal van andere zaken die de arbeidsmarkt beïnvloeden. Wat te denken van robotisering en technologische werkloosheid ten gevolge daarvan? (Ik schreef er anderhalf jaar geleden een drieluik over: technologie die banen bedreigt, de banen die verdwijnen vóór 2025 en hoe het verder moet als de robots het werk overnemen). Wat te denken van globalisering en opkomende economieën die de welvaartsverdeling op wereldschaal veranderen? Wat te denken van geopolitieke ontwikkelingen, zoals Poetin die links en rechts eens een land annexeert en ISIS die een kalifaat uitroept? Al deze ontwikkelingen en meer maken de wereld onzekerder en onoverzichtelijker. Dat zien werkgevers ook. Zij proberen in toenemende mate hun risico’s in te perken door een deel van hun medewerkers onder te brengen in de flexibele schil van hun organisaties, waardoor zij minder risico lopen dan bij de vaste contracten die ooit de norm waren.

Werkgevers hebben behoefte aan flexibiliteit binnen de organisatieOnderzoek wensen van jongeren met beroepsopleiding Van Akker Vindt 2014

Mensen werken niet langer hun hele leven bij een werkgever en dat is prima, als je dan toch tot je zeventigste (of langer!) door ‘moet’ of mag, kan ik me voorstellen dat een beetje variatie geen kwaad kan. Werkgevers zullen flexibiliteit niet alleen zoeken in de vorm waarin zij hun medewerkers hun bedrijf binnen halen (als ZZP’er, uitzendkracht, op tijdelijke contracten en voor sommigen wellicht nog het oude vertrouwde contract voor onbepaalde tijd), maar ook in flexibiliteit binnen de organisatie. Het is fijn wanneer werknemers zelfstartend zijn en wanneer zij meerdere kunstjes kunnen en niemand daar op toe hoeft te zien. Wanneer bedrijven flexibeler moeten zijn, zullen hun medewerkers ook wendbaarder moeten zijn. Hoewel ik besef dat het onderzoek is gedaan naar jonge baanzoekers die net van school komen, vraag ik me ernstig af in hoeverre zij beseffen dat de arbeidsmarkt een rommelige markt is waar het maar de vraag is of die klassieke ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith zijn werk zal doen. De huidige groep gediplomeerden zou bij uitstek zelfredzaam en ondernemend moeten zijn om zich staande te kunnen houden op de arbeidsmarkt, maar zij zoeken in plaats daarvan ‘duidelijkheid en structuur’.

Opleiden tot kritische zelfdenkende werkondernemers?

Corporaal geeft in zijn proefschrift (2014) aan dat de verwachtingen van de jongeren wanneer zij werken gestaag wel wat realistischer worden en dat ze die structuur ook gewend zijn aangereikt te krijgen vanuit het onderwijs. Op dit moment werk ik zelf in het onderwijs en ik denk dat het gerechtvaardigd is om de vraag te stellen of we de studenten wel een dienst bewijzen door zoveel structuur te bieden? Natuurlijk is duidelijkheid goed, maar moeten wij mensen ook niet opleiden tot initiatiefrijke, kritische zelfdenkende en -startende ‘werkondernemers’? Is de wereld van werk waarin zij zich mogelijk een halve eeuw moeten kunnen redden gediend met lichtingen medewerkers die behoefte hebben aan zoveel structuur? Ik vraag me dat ernstig af en ik vraag me daarmee ook af wat de wereld van het (beroeps-)onderwijs moet doen om die studenten die vaardigheden mee te geven die ze nodig hebben om aantrekkelijk te zijn voor werkgevers op de korte termijn en om zichzelf staande te kunnen houden op de arbeidsmarkt op de langere termijn? Ook ik weet niet hoe die arbeidsmarkt er zal uitzien, maar wat ik wel zie is dat de arbeidsmarkt de komende jaren veel zal vragen van werknemers. Zij zullen zich doorlopend bewust moeten zijn van het belang van zelfregie in de eigen loopbaan en zelfregie vergt nogal wat van mensen. Het vergt volgens mij in ieder geval dat je jezelf ook moet kunnen redden en niet kopje onder gaat wanneer structuur en duidelijkheid ontbreken. Dat gebeurt namelijk nogal eens in de echte wereld. Blijkbaar bereiden wij onze jongeren onvoldoende voor op hun toekomst. Mij lijkt dat dat bij uitstek een taak is waarin onderwijs zou moeten voorzien maar waarin duidelijk nog het een ander te winnen valt.

generatie Y wil wifi en social media op de werkplek Van Akker Vindt 2014