Verplicht vrijwilligerswerk in de bijstand vergroot juist de stap naar betaald werk

Bijstandsgerechtigden identificeren zich met status als vrijwilliger - Van Akker Vindt 2014

Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt re-integreren was altijd al een onderwerp dat me interesseerde en de laatste tijd ben ik door mijn werk weer meer bezig met dit onderwerp. In het kader van de participatiesamenleving, empowerment en ‘het nemen van de eigen verantwoordelijkheid’ zoals Rutte, Samsom en de hunnen bepleiten is het momenteel natuurlijk niet zomaar een hot item, maar een sizzling hot item. De verzorgingsstaat loopt in de papieren, de economie staat er al langere tijd niet zo florissant voor en lijkt voorlopig niet substantieel aan te trekken, dus gaat de regering met de bezem door het uitkeringsstelsel. De Participatiewet die eraan zit te komen, is een van de uitkomsten van dit beleid. Deze moet ervoor zorgen dat gemeenten even stoppen met het organiseren van labels voor jonge bijstandsaanvragers met een zogenaamd ‘vlekje’, zoals het eufemistisch in beleidstermen heet en ze vervolgens naar het UWV doorverwijzen, zodat ze niet langer op het gemeentelijke budget drukken.

‘Verplicht vrijwillig’ dus?bijstand verplicht vrijwillig werken Van Akker Vindt 2014

Niet alleen wordt de riante verzorgingsstaat die na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd en opgetuigd stukje bij beetje uitgekleed, ook wordt het niet meer zo vanzelfsprekend gevonden dat men ‘recht’ op een uitkering heeft. Men is immers zelf verantwoordelijk voor eigen succes of falen. Wanneer men dan toch voldoende heeft gefaald om een uitkering aan te vragen dan vinden wij als samenleving -wij worden immers met zijn allen vertegenwoordigd door de mensen op het pluche in Den Haag- dat daar ook best wat tegenover mag staan. Dat dit soms tot perverse uitwassen leidt zoals verdringing door het instellen van een werkgelegenheidscaroussel die ‘Social Return’ heet, is een heel ander blog. Nu wil ik het dus even hebben over verplicht vrijwillig werken. Iedereen met enig taalgevoel ziet dat dit een contradictio in terminis is en dus feitelijk onmogelijk is, maar ‘life is stranger than fiction’ en dus kan het in Nederland gewoon tóch.

Juist een treetje terug op de Participatieladder

De rationale achter dit fenomeen is dat het doen van vrijwilligerswerk de mensen met een bijstandsuitkering helpt om weer een treetje te klimmen op de zogenaamde Participatieladder. De bijstandsgerechtigde wordt zo aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid, went aan een werkritme en doet in het proces ook nog iets nuttigs voor de maatschappij. So far so good. Nou ja, niet dus, want mijn kort door de bocht schets van hoe het werkt, of hoe men wil dat het werkt, blijkt niet helemaal te kloppen. Thomas Kampen promoveert binnenkort bij de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over bijstandsgerechtigden en verplicht vrijwillig werken en komt tot de conclusie dat het averechts werkt. Het verplicht vrijwillig werken vergroot de afstand tot de arbeidsmarkt juist. Bijstandsgerechtigden die instromen in vrijwilligerswerk met behoud van uitkering stromen zelden door naar een betaalde baan. Hoezo het paard achter de wagen spannen?

Bijstandsgerechtigden identificeren zich met status als vrijwilliger

Het voert te ver voor dit blog om alle details uit de samenvatting van het proefschrift -meer heb ik nog niet- na te vertellen, maar een deel van het probleem is dat wanneer bijstandsontvangers die vrijwilligerswerk doen, klaar om de volgende stap in hun re-integratieproces te zetten, de begeleiding vanuit de Sociale Dienst veelal tekort schiet. Hierdoor blijven mensen hangen in het vrijwilligerswerk en verandert hun perspectief van vrijwilligerswerk als opstapje naar een betaalde baan naar een ‘vluchtheuvel om te ontsnappen aan de arbeidsmarkt’ aldus Kampen. De verplichte vrijwilligers gaan waarde hechten aan hun vrijwilligerswerk, ze ervaren meer zingeving door hun vrijwillige werk, vinden het prettig dat op die werkplek een ontspannen sfeer heerst en gaan zich steeds meer hechten aan hun status als vrijwilliger. Verplicht vrijwillig werken betekent stapje terug op participatieladder. Van Akker Vindt 2014Verder helpt het vrijwilligerswerk de bijstandsgerechtigden om hun ‘geschonden levensverhaal’ (ze hebben immers in hun eigen ogen gefaald op maatschappelijk vlak) te reconstrueren. Het vrijwilligerswerk doorbreekt de inactiviteit die ze tot dan toe gewend waren en minderwaardigheidsgevoelens worden verruild voor een groeiend zelfvertrouwen. Ze gaan hun vrijwilligerswerk zien als iets terugdoen of terugbetalen, als tegenprestatie voor in het verleden geboden hulp, waardoor ze ook in deze zin verder af komen te staan van de betaalde arbeidsmarkt. Kampen eindigt zijn samenvatting met een tip voor de klantmanager: deze moet de belangen van de vrijwillig werkende bijstandsgerechtigde in het oog houden en meer doen dan alleen zo nu en dan te controleren. Zo krijgt de bijstandsgerechtigde de erkenning die hij nodig heeft en het staat er niet expliciet, maar ik veronderstel dat dit hem eerder zou motiveren om weer betaald aan de slag te gaan.

Is die vluchtheuvel op afstand van de arbeidsmarkt echt een probleem?

Wat ik hiervan vind, weet ik nog niet zo precies. Op dit moment loopt de economie niet zo gek lekker en de arbeidsmarkt lijkt voorzichtig aan te trekken, maar voorlopig staan er ook nog heel veel mensen langs de kant. Al dat participeren en empoweren klinkt wel mooi en eigen verantwoordelijkheid nemen is in heel veel contexten iets wat ik van harte toejuich. Maar ik lees ook dat mensen die blijkbaar heel lang niet gewerkt hebben, uiteindelijk met veel plezier werken in een vrijwillige functie en daaraan eigenwaarde ontlenen. De kans is groot dat dit een groep mensen betreft die niet vooraan in de rij staat bij veel ondernemers om aangenomen te worden wanneer er weer vacatures ontstaan. Nog los van het ethisch discours dat mogelijk is over ‘verplicht vrijwilligerswerk’ en wat ‘eigen verantwoordelijkheid nemen’ nou helemaal wil zeggen, zie ik dat mensen die anders waarschijnlijk niet zo snel aan de bak komen zich op hun plek voelen en een bijdrage aan de samenleving leveren door hun vrijwilligerswerk. Dat het komt doordat ze te weinig begeleid worden, is of lijkt een gemiste kans. Of die begeleiding min of meer duurzaam tot een betaalde betrekking zou leiden is nog maar de vraag. Misschien is het helemaal niet zo erg wanneer die bijstandsgerechtigden nu prettig werken op hun vluchtheuvel….

Misschien is het helemaal niet zo erg wanneer die bijstandsgerechtigden nu prettig werken op hun vluchtheuvel.... Van Akker Vindt 2014

Advertenties

Onderwijs scoort te hoog op de verkeerde lijstjes

Onderwijs scoort te hoog op de verkeerde lijstjes Van Akker Vindt 2014.jpg

Vandaag bracht CNV Onderwijs de resultaten van een onderzoek onder hun leden naar buiten. Die resultaten waren best heftig: ongeveer 3 op de 10 leraren wordt weleens gepest. Dat gebeurt heel vaak door leerlingen, maar ook nog eens 1 op de 5 worden gepest door ouders, collega’s of de directie (ook collega’s zou ik denken, maar zo staat het in het onderzoek). Eerder schreef ik al meerdere blogs over pesten op het werk, over de gevolgen voor het slachtoffer, de organisaties en dergelijke. Pesten is een vorm van psychosociale arbeidsbelasting die dus blijkbaar in het onderwijs veel voorkomt. Tenminste in het basisonderwijs, want bij nadere bestudering van het rapport van het CNV blijkt dat de overgrote meerderheid van de respondenten, 68 procent, in deze onderwijssector zijn brood verdient.

Samenleving stelt steeds hogere eisen aan het onderwijs

Het onderwijs komt veel in het nieuws. Ook niet zo gek. Los van de belangrijke functie die het onderwijs vervult, vindt ook iedereen iets van het onderwijs. We hebben (vrijwel) allemaal onderwijs genoten in dit land en onze kinderen, neefjes, nichtjes of buurkinderen volgen onderwijs. Iedereen heeft er verstand van en velen vinden het allemaal niet goed genoeg. Over afgestudeerden van de Pabo’s valt regelmatig te lezen dat het bij hun schort aan taal- en rekenvaardigheden en dat het niveau van deze docenten moet worden opgekrikt. Men kijkt dan vaak naar Finland dat altijd goed scoort op de bijvoorbeeld de internationale PISA-lijst, over de kwaliteit van het onderwijs en komt tot de conclusie dat het aanzien en het opleidingsniveau van docenten in eigen land dient te worden opgeplust. Ziedaar de entree van de academische pabo’s en bijvoorbeeld de eisen dat steeds meer docenten in het hoger beroepsonderwijs (hbo) academisch geschoold moeten zijn. Volgens de Arbeidsmarktmonitor uit 2014 van Zestor, het arbeidsmarkt- en opleidingsfonds van het hbo, moet in 2016 80 procent van het onderwijzend personeel in het hbo een academische opleiding hebben.

Veel ontevredenheid bij de mensen voor de klas

Probleem opgelost? Nou nee: uit hetzelfde rapport van Zestor blijkt, het was eerder ook in de media te lezen, dat ongeveer 3 op de 10 docenten het hbo verlaten binnen 3 jaar na de start. Redenen hiervoor liggen voornamelijk in het werk zelf: men vindt de werkdruk te hoog, is ontevreden over het takenpakket en ervaart te weinig loopbaanmogelijkheden. Samenleving stelt steeds hogere eisen aan het onderwijs Van Akker Vindt 2014Daarnaast zijn er ook redenen die liggen in de hbo-organisaties zelf: de vertrekkers klagen over de bureaucratie en het gebrek aan sturing en resultaatgerichtheid van de school als arbeidsorganisatie. Hoe hoger de respondenten zijn opgeleid, hoe ontevredener ze zijn over de hbo-organisaties als werkgever. Dit gaat weliswaar over de mensen die vertrokken zijn, maar ook nog eens 4 op de 10 hbo-docenten geeft in het Zestoronderzoek de komende jaren niet in de huidige functie te willen blijven werken. Van de docenten in de leeftijd tot en met 44 jaar, geeft ruim driekwart aan niet over een paar jaar in de huidige functie te willen blijven zitten. Dat probleem doet zich niet alleen voor in het hbo, CNV Onderwijs deed eerder in samenwerking met het Algemeen Dagblad onderzoek waaruit bleek dat de helft van de leraren tot 35 jaar overwoog het onderwijs te verlaten. Naast de hoge werkdruk en het gebrek aan loopbaanmogelijkheden werd ook het salaris genoemd als pijnpunt. Ik heb de precieze vraagstelling van al deze onderzoeken niet gezien of een precies inzicht in de representativiteit, maar ook wanneer we dit allemaal met het bekende korreltje zout nemen, kunnen we nog steeds vaststellen dat hier een flink probleem ligt. We willen met zijn allen goede getalenteerde en slimme mensen voor de klas en we stellen als samenleving (gerepresenteerd door onze makkers in Den Haag) steeds hogere eisen aan hun opleiding. Maar van de hoog opgeleide docenten die de stap naar het onderwijs zetten, zijn heel veel dus al snel vertrokken, of van plan binnen een paar jaar te vertrekken. De randvoorwaarden zijn blijkbaar zo, dat mensen die ook iets anders kunnen, zich niet geroepen voelen in voor de klas te blijven werken.

Docent bovenaan in de verkeerde lijstjes op de arbeidsmarkt

Ik heb nog even verder gespit en er gegevens uit de Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA) 2013 bij gepakt. Dat is een grootschalig onderzoek door TNO en CBS dat jaarlijks wordt uitgevoerd onder werknemers in Nederland. Ook hier prijkt de beroepsgroep leraar/docent wel erg vaak bovenaan de verkeerde lijstjes. Zo vindt een kwart van de onderwijzers dat ze emotioneel veeleisend werk hebben, daarmee doen ze het nog net beter dan de mensen in de zorg, waarvan 28,4 procent dat vindt, maar het gemiddelde van alle in de NEA onderzochte beroepsgroepen is 11,9 procent. Docenten hebben minder gelegenheid om hun werktijden te bepalen dan anderen, maar scoren juist weer hoog op ervaren tijdsdruk in het werk en burnoutklachten. De psychosociale arbeidsbelasting is dus hoog in het onderwijs. Uit de genoemde onderzoeken blijkt dan wel dat met name steun van collega’s als goed wordt ervaren en dit vormt dan in ieder geval enigszins een buffer tegen werkstress.

Ruim helft docent ervaart werk als hectisch Van Akker Vindt 2014

Zwaar en hectisch werk waarbij overuren zelden worden uitbetaald

De NEA biedt nog meer inzichten in het onderwijs. Zo ervaart bijna 6 op de 10 docenten dat ze vaak of altijd ‘heel veel werk’ hebben, tegenover een gemiddelde onder alle werknemers van 4 op de 10. Nog steeds hoog trouwens, maar niettemin ligt dit aantal in het onderwijs substantieel hoger. Ruim de helft van de mensen die voor de klas staan vindt het werk dat ze doen vaak tot altijd hectisch, het gemiddelde in de NEA is hier 36,2 procent. Verder werken 4 op de 10 onderwijzers structureel over, tegenover gemiddeld ruim een kwart van alle werknemers die de NEA hebben ingevuld. Niet alleen werken de dames en heren, juffen en meesters erg veel over, maar dit overwerk wordt vrijwel nooit betaald. Waar ruim 1 op de 3 werknemers uit de hele NEA overwerk volledig krijgt uitbetaald, geldt dit maar voor 1 op de 20 docenten! We vragen heel veel van docenten en het vergt heel veel van mensen om de hele dag met groepen mensen in de weer te zijn, ook daar scoort het onderwijs weer bovengemiddeld op in de NEA. We vragen dus nogal wat van docenten en zijn blijkbaar als samenleving onvoldoende bereid of in staat die randvoorwaarden te scheppen die het voor een grote groep mensen aantrekkelijk maakt om voor de klas te staan. Als we echt willen investeren in de generaties na ons – en dan heb ik het nog niet eens over leven lang leren!- moeten we ons afvragen of we van het onderwijs een sector willen maken, waar vooral mensen werken die dit als roeping zien en alle genoemde nadelen op de koop toe willen nemen. Volgens mij moet het onderwijs voor zowel leerlingen en studenten als voor de mensen voor de klas méér zijn dan liefdewerk oud papier. Wanneer ik zo even de hier verzamelde gegevens overzie, moet je wel heel extreem bevlogen zijn om dit zware werk vol te kunnen houden. Ik heb veel respect voor de mensen die dat kunnen en willen.

Werken in meerdere banen: meer werkplezier of meer brood op de plank?

werken in meerdere banen Van Akker Vindt 2014

Aantal werknemers met twee banen neemt toe” kopte het CBS vandaag en dat werd in verschillende media overgenomen. Ik heb de brontekst er bij gepakt en daar viel te lezen dat er vorig jaar 467 duizend mensen waren met twee banen en dat dit betekent dat een kleine 8 procent van alle werknemers het niet bij een enkele baan houdt. Een deel werkt in twee banen als werknemer, onder andere veel in de horeca en de gezondheids- en welzijnszorg. Een ander deel combineert het werken als werknemer met het ZZP-schap. Bij de groep die zowel werknemer is als ondernemer gaat het om mensen die ‘werken in de sectoren informatie en communicatie, specialistische zakelijke dienstverlening en openbaar bestuur en overheidsdiensten.’ Naast nog wat staatjes over de man-/vrouw- en de leeftijdsverdeling, vertelt het CBS nog iets over de werkuren: mensen met één baan werkten in 2013 gemiddeld een krappe 33 uur per week, werknemers die in twee banen werken, werkten ongeveer 32 uur en de werknemers die ook nog als zelfstandig ondernemer in de weer waren werkten gemiddeld bijna 39 uur per week.CBS 2014 werken in meedere banen Van Akker Vindt 2014

Sprokkelbanen of ontwikkelbanen?

De eerste conclusie is dat de kop van het CBS de lading niet dekt en de tweede is dat het CBS er rare definities op nahoudt in hun bericht, ze hebben het namelijk over een ‘tweede baan’ als zelfstandige en dat lijkt mij een tegenstelling in zichzelf. Tenzij ze hinten naar het leger schijnzelfstandigen dat tegenwoordig alom vertegenwoordigd is. Maar dat laatste lijkt me voor een club als het CBS niet waarschijnlijk. Hun werk is beschrijven en niet duiden. En dat laatste is wel jammer, want dit bericht roept bij mij gelijk heel veel vragen op. De belangrijkste is of de groei van het aantal mensen dat op meer plekken hun geld verdient komt door mensen die dat doen om überhaupt rond te komen, of dat dit is omdat mensen plezier en uitdaging vinden in het hebben van twee omgevingen waar ze hun geld verdienen?

Plezier, ontwikkeling en employability

Om met het laatste te beginnen: er zijn mensen die er bewust voor kiezen om hun geld op meer plekken te verdienen. Ik ben zelf zo iemand. Ik ben niet alleen verbonden als docent en afstudeerbegeleider bij de HRM-opleiding van een hogeschool, maar ik adviseer ook het management bij een HRM-organisatie. Deels doe ik in beide rollen vergelijkbare dingen, zoals het delen en toepassen van mijn kennis en analyseer ik dingen. Maar er zijn ook verschillen: in de ene rol ben ik semi-ambtenaar en in de andere werk ik voor een onderneming, die weliswaar een maatschappelijk betrokken hart heeft, maar waar er toch ook gewoon geld moet worden verdiend. Ik kan op beide plekken veel leren en de kennis en ervaring van de ene rol zijn ook nuttig om toe te passen in de andere en vice versa. sprokkelbanen of ontwikkelbanen - werkplezier Van Akker Vindt 2014Ik doe het dus voor mijn plezier: ik kan mezelf zo breder ontwikkelen en in verschillende rollen mijn kennis en vaardigheden toepassen. Voor mij is dit een vrijwillige en bewuste keuze, die bovendien een positieve bijdrage levert aan mijn employability en inzetbaarheid. Dergelijke motieven kunnen andere mensen ook hebben, ongeacht of ze bijklussen als werknemer of als zelfstandige en daarmee een ‘hybride arbeidsrelatie’ hebben, zoals dat wel wordt genoemd. Een andere reden om meerdere banen te combineren of een baan te combineren met het zzp-schap die in de literatuur (Huiskamp, Sanders, Van den Bossche, 2011) is als een soort verzekering tegen onzekerheid, dus bijvoorbeeld bij een tijdelijk contract of in economisch onzekere tijden. In het onderzoek in kwestie is voor deze reden geen bewijs gevonden. Ik heb geen uitvoerige literatuurstudie gedaan en misschien is hier recenter onderzoek over, maar die uitkomsten zouden in recenter onderzoek zomaar anders kunnen zijn omdat de onderzoekers data gebruikten uit 2007, dus voor de wereldwijde economische crisis in volle omvang was losgebarsten.

Meerdere banen om rond te kunnen komen

Waar dezelfde onderzoekers wel bewijs voor vonden was dat heel veel mensen meer werken, in dit geval in meerdere banen of deels als zelfstandige om meer geld te verdienen. In ongeveer 4 op de 5 gevallen ging het dan om mensen die een beetje bijklusten om wat bij te verdienen voor ‘extraatjes’, maar niet uit noodzaak. Maar in 1 op de 5 gevallen was dit wel noodzakelijk om rond te kunnen komen. In dat laatste geval denk ik dat het gaat om mensen met banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, met weinig perspectief, weinig arbeidsuren en weinig zekerheid, het zogenaamde ‘Precariaat’ waar Standing het in zijn boek (2011) over heeft. Werkende armen dus. Voor deze groep is het letterlijk een keuze uit armoede. Ook hier geldt natuurlijk dat het zomaar zou kunnen dat die groep zomaar groter geworden kan zijn, nadat de gegevens in 2007 werden verzameld en de uitkomsten er nu weleens anders kunnen uitzien. De werkloosheidscijfers zijn de afgelopen 5 jaar erg ver opgelopen en schommelen dit jaar (CBS Statline, 2014) tussen de 8 en en 9 procent. Het CBS geeft de cijfers vanaf 1996 en in de tussenliggende periode zijn de werkloosheidscijfers niet zo hoog geweest als nu. Het lijkt me dus niet ondenkbaar dat mijn hypothese dat nu meer mensen uit noodzaak in meerdere banen werken zomaar eens waar kan zijn. Ik heb even geen recentere gegevens paraat en voor mij roepen de vandaag door het CBS gepubliceerde cijfers in die zin meer vragen op dan ze beantwoorden. In die zin vind ik het jammer dat de toelichting vooral bestaat uit beschrijving en niet uit duiding. Hoe het op dit moment echt zit, weet ik helaas niet. Wie het weet mag het zeggen…

werkende armen Van Akker Vindt 2014