Beetje minder ‘Halleluja’ rondom empowerment en participatie mag best

Beetje minder 'Halleluja' rondom empowerment en participatie mag best Van Akker Vindt 2013

Iedereen heeft weleens iets onder de leden, ziekten en beperkingen horen bij het leven. In Nederland zei 1 op de 3 werknemers in 2008 een chronische of langdurige aandoening te hebben. Dat zijn veel mensen, maar alles is relatief: de helft heeft er geen hinder van op het werk en 40 procent ervaart lichte hinder. Daar staat tegenover dat iets minder dan 1 op de 10 werknemers ernstige hinder ondervindt van zijn of haar aandoening. Dit is allemaal terug te vinden in een artikel van Inge Varekamp uit 2011 waarin zij ingaat op de problemen van werknemers die wél flink wat hinder ervaren van hun beperking.

Deels beperkt betekent vaak 100 procent aan de kant

Varekamp geeft aan dat veel werknemers in de groep die ernstige hinder ondervinden hun werk met moeite volhouden en dat dit ten koste gaat van hun gezondheid en hun sociale leven en dat er een grote groep is die langs de zijlijn blijft staan en überhaupt niet aan de bak komt. Zonde, zo stelt ze, want deze mensen functioneren economisch gezien misschien nog wel voor een groot deel, maar staan wel voor 100 procent aan de kant. Dit doet deze mensen geen recht en het is maatschappelijk gezien zonde. Met dat laatste zijn Samsom en Rutte het vast van harte eens, sinds zij onlangs de nieuwe koning in de Troonrede lieten voorlezen dat wij toch vooral naar een participatiesamenleving gaan. Mooi gesproken en ik denk er sowieso het mijne van, maar de praktijk is hoe dan ook weerbarstig.

Hebben van werk teveel geïdealiseerd?

Om mensen toch op weg te helpen is het fenomeen empowerment de laatste jaren in zwang geraakt. Bij empowerment gaat het om het toerusten van mensen met kennis, inzicht en vaardigheden om mensen een plek op de arbeidsmarkt te laten veroveren en behouden en hen zelf de regie te geven. Varekamp stelt dat dit een mooi uitgangspunt is, maar dat het Halleluja rondom empowerment en het hebben van een baan ook nuancering behoeft. Niet alleen wordt het hebben van werk teveel geïdealiseerd, maar ook wordt de verantwoordelijkheid voor participatie te eenzijdig bij de werknemer gelegd.

Empowerment is hip en happening in participatieland

Empowerment kwam in de jaren 80 op in de hulpverlening om mensen meer macht te geven over hun eigen sociale situatie en werd in de jaren 90 omarmd door de zorg voor patiënten met een chronische ziekte. Inmiddels is empowerment ook helemaal hip en happening in re-integratie- en participatieland en gaat het om het versterken van zelfvertrouwen, initiatief en het bewustzijn dat werk zinvol is. Werk geeft mensen immers een zinvolle tijdsbesteding, structuur, sociale contacten en inkomen is hierbij de redenering en uit onderzoek zou blijken dat mensen die werken een hogere kwaliteit van leven ervaren, dan mensen die niet werken.

Negatieve ziekteperceptie niet onrealistisch

Varekamp suggereert in haar stuk dat we misschien als samenleving wel een beetje doorschieten met dat geëmpower en het de idealistische framing van het hebben van werk. Zij geeft daarbij terecht aan, dat niet alle belemmerende factoren in de persoon met de beperking of zijn of haar omgeving allemaal zo gemakkelijk zijn te veranderen. Vaak wordt bij onderzoek gekeken naar ‘negatieve ziektepercepties’, oftewel de verwachting dat de aandoening niet meer overgaat. Voor mensen met een langdurige of chronische aandoening is dit misschien inderdaad wel negatief, maar feitelijk niet onrealistisch.

Vier factoren die werken met een chronische ziekte bemoeilijken

Varekamp haalt Beatty en Joffe aan die vier factoren noemen waardoor werken met een chronische ziekte niet altijd vlekkeloos verloopt. De eerste is onomkeerbaarheid, dus de verwachting dat de ziekte niet meer overgaat. De tweede is onvoorspelbaarheid, de prognose over het verloop van de ziekte is vaak niet duidelijk: men moet afwachten hoe het gaat en dat levert de nodige onzekerheid op. De derde is variabiliteit, het klachtenpatroon kan van moment tot moment schommelen en dat maakt het (werkende) leven onvoorspelbaar. De laatste factor is onzichtbaarheid: andere mensen zien niet dat er iets aan de hand is.

Draagt een baan wel altijd bij aan kwaliteit van leven?'Ernstige vermoeidheid is een veelgehoorde klacht' Van Akker Vindt 2013

Dit betekent niet dat mensen met een chronische aandoening of beperking niet kunnen werken. Werken met een beperking gaat heel veel mensen heel goed af. Zij ervaren immers weinig last in hun dagelijkse werkzaamheden, zoals ik eerder aanhaalde. Maar tegelijkertijd is er ook een groep die al die onzekerheid rondom hun ziekte en perioden van achteruitgang als echte energievreters ervaren. Dat is al een workload op zich. Die workload komt soms nog bovenop die betaalde baan. In die gevallen is het zinvol om even te reflecteren op empowerment en participatie en je af te vragen of voor deze groep mensen participeren in een betaalde baan daadwerkelijk bijdraagt aan hun kwaliteit van leven. ‘Ernstige vermoeidheid is een veelgehoorde klacht’, aldus Varekamp.

Empowerment is vooral een kwestie van ‘volhouden’ en ‘loslaten’

Er is sprake van een rare paradox: hulpverleners maken deel uit van empowerende inspanningen, terwijl empowerment rust op een filosofie van zelfbeschikking. Empowerment wordt door hulpverleners gezien als het verkrijgen van controle op de eigen situatie, maar zíj verdienen er zelf hun boterham mee. Aan mensen met een chronische aandoening zélf is ook gevraagd hoe zij tegen empowerment aankijken. Voor hun is empowerment vooral een kwestie van volhouden en proberen de controle te houden over de ziekte enerzijds en anderzijds loslaten, dus leren de ziekte te zien als onderdeel van het leven en accepteren dat je het niet allemaal in de hand hebt. Als je er zo tegenaan kijkt is die betaalde baan van minder prominent belang en minder nastrevenswaardig. Zeker wanneer dit vanuit de empowermentvisie betekent dat men koste wat koste de controle moet proberen te houden om een leven te leiden volgens de geldende norm.

Is empowerment dan een zinloze exercitie?

Empowerment is niet alleen maar onzin en kan mensen heel veel brengen zolang het aansluit bij de behoeften van de mensen zelf, stelt Varekamp. Empowermenttraining kan mensen helpen om inzicht te krijgen in hun eigen gevoelens en de manier waarop zij met hun beperkingen omgaan en kan mensen leren met hun leidinggevenden te onderhandelen. Empowermenttraining kan mensen verder de kennis bieden over de voorzieningen die voor hun beschikbaar zijn en de rechten en plichten van werknemers en werkgevers op dit gebied, zodat knelpunten in de werkcontext beter kunnen worden opgelost. Ten slotte kan een dergelijke training mensen ook laten inzien dat 100 procent inzetbaarheid voor hun niet haalbaar (meer) is of werken überhaupt geen optie meer is en daar ook keuzes in te maken.

Werkgever die meedenkt is een voorwaarde voor inzetbaarheid

Varekamp haalt ten slotte aan dat de overheid de sociale zekerheid afbouwt en de verantwoordelijkheid voor arbeidsongeschiktheid steeds meer bij de werkgever en de werknemer legt. Het empowermentdenken legt hierbij eenzijdig de nadruk op de rol van de werknemer. Ik riep het eerder ook al, maar Varekamp stelt ook dat ‘zonder een werkgever die meedenkt met zijn werknemers in wat eventueel nodig is om het werk met plezier te blijven doen’ het de werknemer niet zal lukken. Varekamp spreekt in haar stuk over mensen die al een beperking hebben en het feit dat ook de werkgever hierin een rol en een verantwoordelijkheid heeft. Ik zie zelf regelmatig onderzoek voorbij komen waarbij de werkgevers weinig aan inzetbaarheid en employability doen, omdat dit de verantwoordelijkheid van de werknemers zelf zou zijn. Voor zowel gezonde mensen als mensen met een beperking wil ik er nogmaals op wijzen dat je inzetbaar of employable bent in een werkcontext en dat dat betekent dat de werkgever zich niet aan zijn of haar verantwoordelijkheden zou moeten (willen) onttrekken. Inzetbaarheid is geen solo-activiteit!

Inzetbaarheid is geen solo-activiteit Van Akker Vindt 2013

Advertenties